"Het ging allemaal zo zakelijk dat men wel gefascineerd moest toekijken. Hier werd varkensvlees gemaakt met machines, met toegepaste wiskunde. En toch kon zelfs de meest nuchtere persoon niet anders dan aan de varkens denken: ze waren zo onschuldig, ze waren zo vol vertrouwen gekomen. Ze waren zo menselijk in hun protest, en hadden het recht volledig aan hun kant! Ze hadden niets gedaan om dit te verdienen, en om het nog erger te maken, werden ze hier opgehangen op die koelbloedige, onpersoonlijke manier, zonder ook maar een poging tot verontschuldiging, zonder het eerbetoon van een traan ...
Je kon daar niet lang staan kijken zonder filosofisch te worden, zonder je te verdiepen in zinnebeelden en vergelijkingen en de varkensgil der wereld te horen. Zou er werkelijk nergens op of onder de aarde een varkenshemel bestaan, waar zij schadeloos gesteld worden voor al dit lijden? Elk van deze varkens was toch een afzonderlijk schepsel ... Elk van hen had toch een eigen persoonlijkheid, een eigen wil, hoop en hartverlangens? Elk van hen was vol zelfvertrouwen, een gevoel van zelfbelang en waardigheid. En vol zeker en sterk vertrouwen had het gedaan wat het moest doen, terwijl een zwarte schaduw over hem hing en een gruwelijk lot hem wachtte op zijn weg ... Het lot deed zijn wrede wil met het dier, alsof de wensen en gevoelens van het varken niet bestonden. Het sneed hem de keel over en keek toe terwijl hij zijn leven uitademde. Moest men dan geloven dat er nergens een god van de varkens was, voor wie dit varken belangrijk was, voor wie de schreeuwen en angsten van deze dieren een betekenis hadden? Wie zou dit varken in zijn armen nemen en troosten, hem belonen voor zijn werk, en hem de betekenis tonen van zijn offer?"
Upton Sinclair, "The Jungle"